De worp: richten, terugtrekken en loslaten
Een goede worp is saai: elke keer precies hetzelfde. Zo bouw je hem op.
1. Richten
Breng de pijl omhoog tot je oog, de pijl en het doel op één lijn liggen. Je elleboog wijst ongeveer naar het bord. Kijk naar het kleinst mogelijke punt: niet "de T20", maar het midden ervan.
2. Terugtrekken
Trek de pijl rustig terug richting je gezicht. Alleen je onderarm beweegt; je bovenarm blijft (bijna) stil. Hoe ver je terugtrekt mag je zelf weten, zolang het elke keer even ver is.
3. Loslaten en follow-through
Gooi de pijl in een vloeiende beweging naar voren en laat hem los zonder te 'duwen'. Het belangrijkste deel komt daarna: laat je arm doorgaan en eindig met je hand richting het doel, alsof je ernaar wijst. Wie stopt bij het loslaten, gooit vaak te laag of scheef.
Tempo
Vind je eigen ritme en houd het vast. Te lang richten maakt je arm stijf; te snel gooien maakt je slordig.